Stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen

Artikel 10, §§ 2 en 5, artikel 10bis, §1,  en artikel 40ter, eerste lid, van de wet van 15 december 1980]

De gezinshereniger moet op zijn minst over 1.628,83 EUR netto/maand  beschikken.

Dit bedrag is gelijk aan 120% van het bedrag bedoeld in artikel 14, §1, 3°,  van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en geïndexeerd op 1 juli 2021 : https://www.mi-is.be/nl/equivalent-leefloon

De inkomsten van de gezinshereniger moeten stabiel en regelmatig zijn. Hij moet dus documenten voorleggen die een referentieperiode die lang genoeg is dekken.

Niet alle inkomsten worden in overweging genomen.

In bepaalde gevallen kunnen de inkomsten van de andere gezinsleden in overweging worden genomen.

Het feit dat men inkomsten heeft die lager zijn dan het referentiebedrag leidt niet automatisch tot een afwijzing van het verzoek tot gezinshereniging.

In de volgende situaties moet de gezinshereniger niet bewijzen dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikt:

  • De gezinshereniger geniet internationale bescherming die door België werd toegekend, op voorwaarde dat de bloed- of aanverwantschapsband reeds voor zijn aankomst in België bestond en dat de gezinshereniging binnen het jaar (12 maanden) na de beslissing van het CGVS om de internationale bescherming toe te kennen aangevraagd wordt.
  • De gezinshereniger is sinds ten minste 12 maanden gemachtigd tot het onbeperkt verblijf in België en de aanvrager is zijn kind, het kind van zijn echtgenoot (of gelijkgestelde partner) of een gemeenschappelijk kind, op voorwaarde dat dit kind bij hem komt wonen alvorens 18 jaar te zijn, ongehuwd is en de enige is die zich bij de gezinshereniger komt voegen. 
  • De gezinshereniger is een zittende Belg en de aanvrager is zijn bloedverwant in neergaande lijn, de bloedverwant in neergaande lijn van zijn echtgenoot (of gelijkgestelde partner) of een gemeenschappelijke bloedverwant in neergaande lijn, op voorwaarde dat deze bloedverwant in neergaande lijn bij hem komt wonen alvorens 18 jaar te zijn en de enige is die zich bij de gezinshereniger komt voegen.

Als de bloedverwant in neergaande lijn tussen 18 en 21 jaar oud is, moet de Belgische gezinshereniger bewijzen dat hij bestaansmiddelen heeft, en als de bloedverwant in neergaande lijn ouder is dan 21 jaar moet de Belgische gezinshereniger bewijzen dat hij bestaansmiddelen heeft en dat de aanvrager te zijnen laste is. 

Indien de gezinshereniger een werknemer in loondienst is, kan hij een huurcontract, loonfiches, het meest recente aanslagbiljet van de FOD Financiën of het certificaat van de FOD Financiën dat de toekomstige belasting die moet worden betaald aantoont, uittreksels van een bankrekening, een pensioenfiche, het bewijs dat hij huurinkomsten ontvangt, of elk ander document dat aantoont dat hij stabiele, regelmatige en toereikende inkomsten heeft, voorleggen.

Indien de gezinshereniger een zelfstandige is, zie hier.

De werkloosheidsuitkeringen  kunnen in overweging worden genomen, indien de gezinshereniger bewijst dat hij actief naar werk zoekt of dat niet moet doen.

De inkomsten uit een interimbetrekking die na een werkloosheidsperiode bekomen wordt kunnen in overweging worden genomen.  Deze inkomsten worden ook in overweging genomen indien deze interimbetrekking sinds minstens een jaar ononderbroken wordt uitgeoefend en een inkomen oplevert dat op zijn gelijk is aan het referentiebedrag.

De uitkeringen voor gehandicapte personen (inkomensvervangende tegemoetkoming, integratietegemoetkoming en invaliditeitsuitkering) worden in overweging genomen.

Nuttige info:
De inkomsten van de gezinshereniger moeten stabiel en regelmatig zijn.  Hij moet dus documenten voorleggen die een referentieperiode die lang genoeg is dekken.  In ideale omstandigheden dekken de documenten de 12 maanden die aan de aanvraag voorafgaan. Het kan zelfs om een langere periode gaan, indien de gezinshereniger een zelfstandige is.

 

De volgende inkomsten worden niet in  overweging genomen:

  • sommige inkomsten uit aanvullende stelsels, zoals het leefloon en de aanvullende kinderbijslag;
  • financiële maatschappelijke bijstand (OCMW);
  • kinderbijslag;
  • wachtuitkering;
  • overgangsuitkering;
  • inkomsten uit een arbeidsovereenkomst ondertekend op grond van artikel 60, § 7, van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 08/07/1976. Deze overeenkomst moet de persoon die ze ondertekent in staat stellen gedurende een periode te werken, waarna hij volledige sociale uitkeringen kan verkrijgen De arbeidsovereenkomst voorziet trouwens dat de overeenkomst automatisch eindigt wanneer de persoon lang genoeg heeft gewerkt om volledige sociale uitkeringen te verkrijgen. Een dergelijke activiteit is dus geen bron van stabiele en regelmatige bestaansmiddelen in de zin van de wet van 15/12/1980 ;
  • de verbintenis tot tenlasteneming aangegaan ten voordele van een student (bijlage 32).  Bijgevolg moet de student die door zijn echtgenoot en zijn minderjarige kinderen wenst te worden begeleid of vervoegd bewijzen dat hij bestaansmiddelen heeft die op zijn minst gelijk zijn aan het referentiebedrag.

In de volgende situaties worden de inkomsten van de andere familieleden in overweging genomen:

  • De gezinshereniger heeft de status van langdurig ingezetene in een andere staat van de Europese Unie bekomen vooraleer hij tot een verblijf van meer dan 90 dagen in België gemachtigd werd, en de gezinscel was reeds (opnieuw) gevormd in deze andere staat van de Unie ;
  • De gezinshereniger heeft een Europese blauwe kaart (H-kaart) en de gezinscel was reeds (opnieuw) gevormd in een andere staat van de Europese Unie;
  • De gezinshereniger is een buitenlandse student die tot een verblijf van meer dan 90 dagen in België gemachtigd is.

Het feit dat men inkomsten heeft die lager zijn dan het referentiebedrag leidt niet automatisch tot een afwijzing van het verzoek tot gezinshereniging. De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt de algemene situatie van de gezinshereniger en bepaalt de inkomsten waarover hij moet beschikken om in zijn eigen behoeften en die van zijn gezin te voorzien, zonder ten laste van de overheid te komen.

Dit betekent dat de Dienst Vreemdelingenzaken van mening kan zijn dat de voorwaarde vervuld wordt, indien de gezinshereniger met documenten aantoont dat hij, met inkomsten die lager zijn dan het referentiebedrag, in zijn behoeften en die van zijn gezin kan voorzien. 

Bij het verzoek tot gezinshereniging moeten twee soorten documenten worden voorgelegd :

  1. documenten die bewijzen dat de gezinshereniger stabiele en regelmatige bestaansmiddelen heeft en ook het bedrag ervan aantonen ; en
  1. alle documenten op basis waarvan de Dienst Vreemdelingenzaken zich een correct beeld kan vormen van de financiële toestand van de gezinshereniger, zijn behoeften en de behoeften van zijn gezin (bijvoorbeeld het huurbedrag als hij huurder is, het bedrag van het alimentatiegeld dat hij ontvangt of betaalt, huurbedragen die hij ontvangt als hij onroerende goederen verhuurt, sommige verminderingen toegekend op grond van zijn persoonlijke situatie, allerlei premies, een door zijn bank of de nationale bank afgegeven attest waaruit blijkt dat er geen betalingsachterstand is inzake hypothecair krediet of consumentenkrediet, enz.).