De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. 

Het feit dat in België een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, betekent niet automatisch dat België het verzoek ook zal behandelen. De regels om te bepalen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming werden vastgelegd in de AMMR. 

Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer 

De regels die in deze Verordening zijn opgenomen, worden toegepast door 31 landen (België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovakije, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Zweden, Zwitserland) en legt meerdere criteria vast die toelaten om de enige verantwoordelijke lidstaat aan te duiden. 

De AMMR-procedure wordt doorlopen van zodra een onderdaan van een derde land een verzoek om internationale bescherming in een van de lidstaten indient. Het is de Dienst Vreemdelingenzaken die dit onderzoek in België uitvoert. 

Het AMMR-onderzoek gebeurt op basis van de beschikbare informatie,  zoals identiteitsdocumenten, resultaten uit vingerafdrukkenonderzoek, informatie die de Belgische instanties verkrijgen van andere lidstaten, en de verklaringen van de verzoeker. 

Wanneer België niet de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, zal er een overdrachtsbesluit betekend worden aan de verzoeker. In deze beslissing wordt de verantwoordelijke lidstaat vermeld, alsook de datum waarop de verantwoordelijke lidstaat het verzoek tot overname (impliciet) heeft aanvaard. Tegen deze beslissing kan een beroep ingediend worden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). 

De verzoeker dient contact op te nemen met de DVZ om de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat te organiseren.

De verzoeker kan ook gedwongen naar de verantwoordelijke lidstaat worden overgebracht wanneer:

  • de DVZ van oordeel is dat er een risico bestaat dat de verzoeker geen gevolg zal geven aan de beslissing en zal onderduiken; en
  • geen andere, minder dwingende maatregelen kunnen worden toegepast.

In dat geval kan de verzoeker vastgehouden worden in een welbepaalde plaats (gesloten centrum), van waar de verzoeker naar de verantwoordelijke lidstaat zal overgedragen worden. 

Wanneer de verzoeker niet wordt vastgehouden, moet de overdracht binnen de 6 maanden na de aanvaarding van het verzoek tot overname gerealiseerd worden. De termijn kan tot maximum 1 jaar (bij vasthouding in de gevangenis) of tot maximum 3 jaar (indien de betrokkene onderduikt) verlengd worden. 

Indien België toch de verantwoordelijke lidstaat is zou zijn zal de behandeling van het verzoek in België verder gezet worden. 

Contact: asylum.dublin [at] ibz.fgov.be (asylum[dot]dublin[at]ibz[dot]fgov[dot]be)