Eerste machtiging tot verblijf (aanvraag visum D, machtiging tot verblijf of wijziging van statuut)

 

 

[Artikel 60 van de wet van 15 december 1980]

De onderdaan van een derde land die voltijds hogere studies wil volgen aan een instelling voor hoger onderwijs in België, of een voorbereidend jaar voor dit onderwijs, moet een aanvraag voor een machtiging om meer dan 90 dagen in België te verblijven indienen.

De algemene regel is dat deze aanvraag wordt ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de verblijfplaats in het buitenland, in de vorm van een aanvraag voor een visum D (nationaal visum lang verblijf).

De lijst van de Belgische ambassades en consulaten wordt op de site van de FOD Buitenlandse Zaken gepubliceerd (www.diplomatie.belgium.be).

De procedure die moet worden gevolgd om de visumaanvraag in te dienen wordt uitgelegd op de site van de bevoegde post en op de site van de externe dienstverlener waarmee de post samenwerkt voor de ontvangst van de visumaanvragen (VFS Global, TLS Contact).

De algemene regel is dat de aanvrager zijn visumaanvraag persoonlijk moet indienen, omdat hij zijn vingerafdrukken moet geven en een vragenlijst moet beantwoorden die het mogelijk maakt om de coherentie van zijn academisch parcours en zijn studieplannen in België te beoordelen.

In afwijking hiervan kan een onderdaan van een derde land die reeds in België verblijft zijn aanvraag indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats, vooraleer zijn verblijfsvergunning of zijn machtiging tot verblijf vervalt.  Anderzijds moet hij reeds ingeschreven zijn aan een instelling voor hoger onderwijs om er voltijds studies te volgen.

[Artikelen 60 en 61/1 van de wet van 15 december 1980]

De onderdaan van een derde land die voltijds hogere studies wil volgen aan een instelling voor hoger onderwijs in België, of een voorbereidend jaar voor dit onderwijs, moet de volgende documenten bij zijn aanvraag voegen:

  • een kopie van zijn geldig paspoort of een kopie van een daarmee gelijkgestelde reistitel;
  • het bewijs van betaling van de retributie, indien deze verplichting op hem van toepassing is ;
  • een attest dat [conform het model van het standaardformulier dat per het ministerieel besluit van 28 maart 2022 vastgelegd is] opgesteld is door een instelling voor hoger onderwijs en bewijst dat hij ingeschreven is aan die instelling om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen, of dat hij toegelaten is tot de studies, of dat hij ingeschreven is voor een toelatingsexamen of een toelatingsproef;
  • indien hij jonger dan achttien jaar is, een bewijs van toestemming van zijn ouders of, in voorkomend geval, van de persoon die de voogdij uitoefent;
  • het bewijs dat hij gedurende zijn verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het Belgische sociale bijstandsstelsel;
  • het bewijs dat hij beschikt of zal beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf:
  • een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage bij de wet van 15 december 1980 opgesomde ziekten ;
  • indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.

De inschrijvingen als vrije student of op basis van een examencontract of creditcontract worden niet in aanmerking genomen.  [Artikel 99, vierde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]

Indien ze in een andere taal dan het Duits, het Engels, het  Frans of het Nederlands zijn opgesteld, dienen de voorgelegde stukken vergezeld te zijn van een beëdigde vertaling in één van deze vier talen.

Indien alle documenten bij de aanvraag zijn gevoegd, overhandigt de post of het gemeentebestuur een ontvangstbewijs aan de aanvrager.  [Bijlage 33ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]

Indien de aanvraag voor een machtiging tot verblijf bij het gemeentebestuur wordt ingediend, maar de aanvrager niet daadwerkelijk op het grondgebied van de gemeente verblijft (negatief verblijfplaatsonderzoek), neemt het gemeentebestuur de aanvraag niet in overweging. [Bijlage 40 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]

Indien niet alle documenten bij de aanvraag zijn gevoegd, informeert de post of het gemeentebestuur de aanvrager schriftelijk over de ontbrekende documenten die moeten worden voorgelegd. De aanvrager beschikt over een termijn van 30 dagen, vanaf de datum in de brief van de post of het gemeentebestuur, om de ontbrekende documenten voor te leggen. 

De onderdaan van een derde land die zijn aanvraag in België indient, moet de ontbrekende documenten voorleggen vooraleer zijn verblijfsvergunning of machtiging tot verblijf vervalt, en dit zelfs indien de termijn van 30 dagen nog niet verstreken is op het moment waarop de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf vervalt.

Indien de aanvrager de ontbrekende documenten binnen de termijn van 30 dagen (of vooraleer de verblijfsvergunning of de machtiging tot verblijf vervalt) voorlegt, ontvangt hij een ontvangstbewijs. In het tegenovergestelde geval kan de Dienst Vreemdelingenzaken zijn aanvraag onontvankelijk verklaren en wordt de procedure afgesloten.  [Bijlage 29 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]

[Artikel 61/1/1 van de wet van 15 december 1980]

De Belgische autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de visumaanvragen moeten een beslissing nemen binnen 90 dagen na de datum waarop de Belgische ambassade of het consulaat een ontvangstbewijs van de aanvraag heeft gegeven aan de student die een volledig dossier heeft voorgelegd.

De vreemdeling wiens visumaanvraag naar de Dienst Vreemdelingenzaken werd gestuurd kan die volgen via de applicatie Een visumaanvraag opvolgen

Aandachtspunt: De capaciteit van de Belgische autoriteiten is constant uitgebreid, maar is niet onbeperkt. Elk jaar weigert de Dienst Vreemdelingenzaken een aanzienlijk aantal aanvragen voor studievisa die niet op tijd konden worden onderzocht.

Een vreemdeling die te laat een visum aanvraagt, moet er zich dus van bewust zijn dat de Belgische autoriteiten door het grote aantal studievisumaanvragen dat in korte tijd moet worden onderzocht, mogelijk geen beslissing kunnen nemen vóór de datum waarop hij/zij in België wordt verwacht.

 

 

Artikel 61/1/1 van de wet van 15 december 1980]

De onderdaan van een derde land wiens aanvraag aanvaard wordt, ontvangt een visum D waarvan de geldigheidsduur afhangt van het type attest dat door de onderwijsinstelling afgegeven wordt.

De onderdaan van een derde land die een attest van inschrijving aan een instelling voor hoger onderwijs, om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen, heeft voorgelegd, wordt gemachtigd om op zijn minst een jaar in België te verblijven.  

De onderdaan van een derde land die een bewijs van toelating tot de studies of een bewijs van inschrijving voor een toelatingsexamen of een toelatingsproef heeft voorgelegd wordt gemachtigd om voor vier maanden in België te verblijven. Ten laatste 15 dagen voor het verstrijken van deze machtiging tot verblijf zal hij een attest van inschrijving aan een instelling voor hoger onderwijs, om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen, moeten voorleggen aan het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.

De onderdaan van een derde land die het bewijs dat hij beschikt of zal beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België voor de duur van zijn verblijf dekt niet bij zijn aanvraag kon voegen wordt gemachtigd om voor vier maanden in België te verblijven, ongeacht het type attest dat voorgelegd wordt.  Ten laatste 15 dagen voor het verstrijken van deze machtiging tot verblijf zal hij het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt aan het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats moeten voorleggen.

[Artikel 61/1/3 van de wet van 15 december 1980]

De machtiging om meer dan 90 dagen in België te verblijven om voltijds hogere studies, of een voorbereidend jaar voor dit onderwijs, te volgen aan een instelling voor hoger onderwijs in België, wordt geweigerd aan de onderdaan van een derde land die zich in een van de volgende gevallen bevindt:

  • er is niet voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van een machtiging tot verblijf in artikel 60 van de wet van 15 december 1980;
  • de onderdaan van een derde land wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
  • de onderdaan van een derde land heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
  • er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf andere doeleinden zou dienen dan de studies;
  • de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
  • de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven, is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
  • de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
  • de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats.

De beslissing wordt genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken.

De onderdaan van een derde land wiens aanvraag geweigerd wordt, kan een beroep indienen of een nieuwe aanvraag indienen. Hij voegt de documenten die aantonen dat hij zich niet in één van de bovengenoemde gevallen bevindt bij de aanvraag.

De houder van een visum D moet zich binnen de 8 dagen na zijn aankomst in België aanbieden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.

[Artikel 102 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]

Indien hij daadwerkelijk op het grondgebied van de gemeente verblijf (positief verblijfplaatsonderzoek) geeft het gemeentebestuur een A-kaart met de vermelding  « student » af aan de onderdaan van een derde land die samen met zijn aanvraag een attest van inschrijving en een ziektekostenverzekering heeft voorgelegd.

Indien hij daadwerkelijk op het grondgebied van de gemeente verblijft (positief verblijfplaatsonderzoek) geeft het gemeentebestuur een attest van immatriculatie af aan de onderdaan van een derde land die een bewijs van toelating tot de studies, of een bewijs van inschrijving voor een toelatingsexamen of een toelatingsproef, heeft voorgelegd, en aan de student die samen met zijn aanvraag geen ziektekostenverzekering heeft voorgelegd.  Vanaf de binnenkomst in België is dit attest van immatriculatie vier maanden geldig. Ten laatste 15 dagen voor het verstrijken van het attest van immatriculatie zal de onderdaan van een derde land een bewijs van inschrijving en/of een ziektekostenverzekering moeten voorleggen aan het gemeentebestuur. Indien dit document of deze documenten niet tijdig wordt (worden) voorgelegd wordt een bevel om het grondgebied te verlaten gegeven.  [Bijlage 12 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981]