Einde van het verblijf

[Artikel 61 van de wet van 15 december 1980]

De minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging of de verwijdering van vreemdelingen, kan een student die zich in een van de volgende situaties bevindt het bevel geven om het grondgebied te verlaten:

De minister, of de Dienst Vreemdelingenzaken, kan een student die zich in een van de volgende situaties bevindt ook het bevel gegeven om het grondgebied te verlaten:

  • verlenging van het verblijf na afloop van zijn studies, zonder in het bezit te zijn van een regelmatig verblijfsdocument;
  • afwezigheid van een bewijs dat men over toereikende bestaansmiddelen beschikt;
  • verlening, door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan hemzelf of een lid van zijn gezin, dat met hem samenleeft, van financiële steun waarvan het totaalbedrag, berekend over een periode van twaalf maanden die voorafgaan aan de maand waarin het bevel om het grondgebied te verlaten genomen wordt, meer dan het drievoudige bedraagt van het maandelijks bedrag van het bestaansminimum, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum, en voor zover die hulp niet werd terugbetaald binnen zes maanden na de uitkering van de laatste maandelijkse hulp.