(Artikel 61 van de wet van 15 december 1980 en 101/1 van de koninklijk besluit van 8 oktober 1981)
De niet-EU onderdaan die voltijds hogere studies wil volgen aan een instelling voor hoger onderwijs in België, of een voorbereidend jaar voor dit onderwijs, en de niet-EU onderdaan die, na de voltooiing van zijn studies, vraagt om gemachtigd te worden om zijn verblijf te verlengen, teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten, moeten bewijzen dat ze over voldoende bestaansmiddelen beschikken.
Het minimumbedrag van de bestaansmiddelen wordt per koninklijk besluit vastgelegd en elk jaar geïndexeerd. Voor het academiejaar 2026 /2027 is dit bedrag 1.062 euro netto per maand.
Het bewijs van de voldoende bestaansmiddelen wordt geleverd door een of meerdere van de volgende documenten voor te leggen:
- het bewijs van storting van een som geld, gelijk aan twaalf keer het maandelijks minimumbedrag waarover een student moet beschikken (12 X 1.062 euro), op een geblokkeerde rekening die door een instelling voor hoger onderwijs op naam van de student geopend wordt;
- het bewijs van storting van een som geld, gelijk aan twaalf keer het maandelijks minimumbedrag waarover een student moet beschikken (12 X 1.062 euro), op een geblokkeerde rekening die door een financiële dienstverlener die gespecialiseerd is in het openen van geblokkeerde bankrekeningen op naam van een student geopend wordt;
Opgelet! Op dit moment aanvaardt de Dienst Vreemdelingenzaken alleen de "Attestations de versement irrévocable" (AVI) die zijn opgesteld door Studely en Ready Study Go International. De Dienst Vreemdelingenzaken is echter niet contractueel gebonden aan deze dienstverleners en kan niet verantwoordelijk worden gehouden in het geval van een schending van hun verplichtingen jegens de student.
- een attest dat [conform een koninklijk besluit] hetzij door een internationale organisatie of een nationale overheid, hetzij door een gemeenschap, gewest, provincie of gemeente, hetzij door een instelling voor hoger onderwijs werd opgesteld, luidens hetwelk de onderdaan van een een beurs of een lening geniet of eerstdaags zal genieten;
- een verbintenis tot tenlasteneming conform de bijlage 32 van het .
De beoordeling of een over voldoende bestaansmiddelen beschikt, is gebaseerd op een individueel onderzoek van het geval. In het kader van dit onderzoek wordt met name rekening gehouden met de middelen die afkomstig zijn van een subsidie, een beurs, een toelage of het wettig en regelmatig uitoefenen van een winstgevende activiteit buiten de tijd die normaal aan de studie moet worden gewijd.