Voldoende bestaansmiddelen

[Artikel 61 van de wet van 15 december 1980]

De onderdaan van een derde land die voltijds hogere studies wil volgen aan een instelling voor hoger onderwijs in België, of een voorbereidend jaar voor dit onderwijs, en de onderdaan van een derde land die, na de voltooiing van zijn studies, vraagt om gemachtigd te worden om zijn verblijf te verlengen, teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten, moeten bewijzen dat ze over voldoende persoonlijke bestaansmiddelen beschikken.

Het minimumbedrag van de bestaansmiddelen wordt per koninklijk besluit vastgelegd en elk jaar geïndexeerd.

Voor het academiejaar 2022/2023 is dit bedrag 730 euro netto/maand.

Het bewijs van de voldoende bestaansmiddelen wordt geleverd door een of meerdere van de volgende documenten voor te leggen:

  • een attest dat [conform een koninklijk besluit] hetzij door een internationale organisatie of een nationale overheid, hetzij door een gemeenschap, gewest, provincie of gemeente, hetzij door een instelling voor hoger onderwijs werd opgesteld, luidens hetwelk de onderdaan van een derde land een beurs of een lening geniet of eerstdaags zal genieten;
  • een verbintenis tot tenlasteneming conform de bijlage 32 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981;
  • enig ander bewijsmiddel van voldoende bestaansmiddelen, bijvoorbeeld een door de instelling voor hoger onderwijs opgesteld attest dat preciseert dat de onderdaan van een derde land een som die de kosten van zijn verblijf in België dekt gestort heeft op een geblokkeerde rekening die beheerd wordt door de instelling.

De beoordeling of de onderdaan van een derde land over voldoende bestaansmiddelen beschikt, is gebaseerd op een individueel onderzoek van het geval. In het kader van dit onderzoek wordt met name rekening gehouden met de middelen die afkomstig zijn van een subsidie, een beurs, een toelage of het wettig en regelmatig uitoefenen van een winstgevende activiteit buiten de tijd die normaal aan de studie moet worden gewijd.