Buitengewone omstandigheden (artikel 9bis van de wet)

Artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 geeft een persoon de mogelijkheid om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf in te dienen bij de burgemeester van de plaats waar hij effectief verblijft, wanneer buitengewone omstandigheden de indiening van deze aanvraag in België, in plaats van in het buitenland (conform artikel 9, alinea 2), rechtvaardigen en op voorwaarde dat hij een identiteitsdocument voorlegt.

Er wordt geen gevolg gegeven aan een aanvraag die rechtstreeks aan de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gericht.

Elke persoon die niet vrijgesteld is moet een bijdrage betalen en bij de indiening van zijn aanvraag het bewijs van de volledige betaling voorleggen. Indien hij dit bewijs niet voorlegt, wordt zijn aanvraag onontvankelijk verklaard.

De aanvraag voor een machtiging tot verblijf moet een identiteitsbewijs bevatten.

De volgende identiteitsdocumenten worden aanvaard: een erkend internationaal paspoort, of een gelijkwaardige reistitel, of een nationale  identiteitskaart.  Deze documenten moeten niet noodzakelijk geldig zijn.  

De volgende aanvragers moeten geen identiteitsdocumenten bij hun aanvraag voegen:

  1. de verzoeker om internationale bescherming wiens verzoek niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve beslissing, of die een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar verklaard administratief cassatieberoep heeft ingediend, en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken;
  1. de aanvrager die op geldige wijze aantoont dat het voor hem onmogelijk is om een van de bovengenoemde identiteitsdocumenten in België te bekomen.

De aanvraag voor een machtiging tot verblijf moet uitleg bevatten over de buitengewone omstandigheden die de indiening van de aanvraag in België rechtvaardigen.   

De aanvrager moet aantonen dat het voor hem onmogelijk, of bijzonder moeilijk is, om terug te keren naar zijn land van herkomst of een land waar hij gemachtigd is tot verblijf, teneinde daar zijn machtiging tot verblijf in te dienen conform artikel 9, alinea 2, van de wet (aanvraag voor een visum D bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire post).

Opmerking: een lang verblijf in België, of het feit dat men geïntegreerd is in de Belgische maatschappij, is op zich geen buitengewone omstandigheid die de indiening van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf in België rechtvaardigt.

De Dienst Vreemdelingenzaken (dienst 9bis) beoordeelt de buitengewone omstandigheden geval per geval.

Overeenkomstig artikel 9bis van de wet kunnen de volgende elementen niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheden en worden onontvankelijk verklaard:

  1. de elementen die reeds aangehaald werden ter ondersteuning van een asielaanvraag in de zin van de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 van de wet en die verworpen werden door de asielinstanties, met uitzondering van elementen die verworpen werden omdat ze vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3 van de wet, en aan de criteria voorzien in artikel 48/4 van de wet met betrekking tot de subsidiaire bescherming, of omdat ze niet onder de bevoegdheid van die instanties vallen;
  1. de elementen die in de loop van de behandelingsprocedure van de asielaanvraag in de zin van artikel 50, 50bis, 50ter en 51 van de wet hadden moeten worden ingeroepen, aangezien zij voor het einde van de procedure bestonden en de aanvrager voor het einde van de procedure op de hoogte was van deze elementen;
  1. de elementen die reeds ingeroepen werden bij een vorige aanvraag voor een machtiging tot verblijf in België, met uitzondering van de elementen die werden aangehaald in het kader van een aanvraag die als onontvankelijk werd beoordeeld wegens het ontbreken van de vereiste identiteitsdocumenten of wegens het niet of niet volledig betalen van de bijdrage zoals vastgelegd in artikel 1/1 van de wet, en met uitzondering van de elementen aangehaald in eerdere aanvragen waarvan afstand werd gedaan;
  1. de elementen die ingeroepen werden in het kader van een aanvraag voor het bekomen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980.

Binnen de 10 dagen na de indiening van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf controleert het gemeentebestuur of de persoon daadwerkelijk op het opgegeven adres verblijft.

Indien het onderzoek een positief resultaat oplevert, stuurt het gemeentebestuur de aanvraag voor een machtiging tot verblijf, voor onderzoek en beslissing, naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Indien het onderzoek een negatief resultaat oplevert, weigert het gemeentebestuur de aanvraag in overweging te nemen en brengt het de aanvrager en de Dienst Vreemdelingenzaken daarvan op de hoogte.  De aanvraag wordt niet doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

De persoon die meerdere aanvragen voor een machtiging tot verblijf waarvan het onderzoek niet is afgerond (geen beslissing) heeft ingediend wordt geacht afstand te doen van deze aanvragen.  Bijgevolg zal de Dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissing op basis van de in de laatste aanvraag ingeroepen elementen nemen.

De Dienst Vreemdelingenzaken (dienst 9bis) onderzoekt of de aanvraag voor een machtiging tot verblijf ontvankelijk is. Indien de aanvraag onontvankelijk is, brengt hij de aanvrager (via het gemeentebestuur) en zijn advocaat daarvan op de hoogte.

In de volgende gevallen is de aanvraag niet ontvankelijk:

  1. Het bewijs van de betaling van de bijdrage is niet toegevoegd (tenzij de aanvrager vrijgesteld is);
  2. De kopie van het identiteitsdocument is niet toegevoegd en de aanvrager geeft geen geldige uitleg;
  3. Er is geen buitengewone omstandigheid die de indiening van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf in België, in plaats van in het buitenland, bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire post, rechtvaardigt.

Indien de aanvraag voor een machtiging tot verblijf ontvankelijk is, onderzoekt de Dienst Vreemdelingenzaken (dienst 9bis) de redenen waarom de aanvrager meer dan 90 dagen in België wenst te verblijven. 

Indien de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag aanvaardt, schrijft het gemeentebestuur de aanvrager in het vreemdelingenregister in en overhandigt hem een A-kaart (beperkt verblijf) of een B-kaart (onbeperkt verblijf). Het type kaart hangt af van de redenen die weerhouden worden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf. 

Indien de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag weigert, deelt hij dit mee aan de aanvrager (via het gemeentebestuur) en aan zijn advocaat. Tegen deze beslissing kan een beroep worden ingediend.  Dit beroep heeft echter geen opschortende werking. De beslissing waarmee de aanvraag voor een machtiging tot verblijf verworpen wordt, wordt dus onmiddellijk van kracht.

De persoon die zijn verblijf wenst te verlengen, moet de verlenging van zijn A-kaart aanvragen en de documenten die aantonen dat hij aan de voorwaarden voor de verlenging van deze A-kaart voldoet voorleggen.

De vernieuwing moet gebeuren via het gemeentebestuur van de verblijfplaats tussen de 45e en de 30e dag voorafgaand aan de vervaldatum van de geldigheidsduur van de A-kaart.

Het gemeentebestuur stuurt de aanvraag, voor onderzoek en beslissing, naar de Dienst Vreemdelingenzaken (dienst Lang verblijf).

De bovenstaande informatie is niet volledig. Er wordt dus aanbevolen om de referentieteksten volledig te lezen:

  • Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (artikelen 9, 9bis en 9quater);
  • Koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  • Omzendbrief van 21 juni 2007 betreffende de wijzigingen in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006. 

http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/loi.pl