Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud

Stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen

 
Bestaansmiddelen van de gezinshereniger

 

Referentiebedrag

De gezinshereniger moet ten minste gelijk zijn aan 120% van het bedrag bedoeld in artikel 14. § 1, 3°, van de wet van 26/05/2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Bedrag geïndexeerd op 01/03/ 2020: 1.555,092 EUR netto/maand.  

POD Maatschappelijke integratie: https://www.mi-is.be/nl/equivalent-leefloon

Stabiele en regelmatige bestaansmiddelen

De gezinshereniger moet bewijsstukken die een voldoende lange referentieperiode dekken voorleggen. Idealiter, dekken deze documenten de 12 maanden die aan de aanvraag voorafgaan, en zelfs langer wanneer de gezinshereniger een zelfstandige is.

Als de gezinshereniger werknemer is, kan hij een arbeidsovereenkomst, loonfiches, het laatste aanslagbiljet van de FOD Financiën, of het attest van de FOD Financiën van de toekomstige belastingen, rekeninguittreksels, een pensioenfiche, het bewijs dat hij huurinkomsten ontvangt, of elk ander document dat aantoont dat hij over stabiele en regelmatige inkomsten beschikt voorleggen.

De werkloosheidsuitkeringen kunnen in rekening worden gebracht indien de gezinshereniger het bewijs levert dat hij actief naar werk zoekt, of het bewijs dat hij is vrijgesteld van dit actief zoeken naar werk.

De inkomsten uit uitzendwerk na een periode van werkloosheid kunnen ook in aanmerking worden genomen. Ze worden ook in aanmerking genomen indien dit uitzendwerk ononderbroken sinds ten minste 1 jaar is uitgeoefend en de gezinshereniger een inkomen van ten minste 1.555,092 EUR netto/maand oplevert.

Er wordt rekening gehouden met de uitkeringen aan gehandicapte personen (vervangingsuitkering, integratie-uitkering en invaliditeitsuitkering).

Inkomsten waarmee geen rekening wordt gehouden

Met sommige inkomsten uit aanvullende stelsels, zoals het leefloon en de aanvullende kinderbijslag, financiële maatschappelijke bijstand (OCMW),  kinderbijslag,  wachtuitkering, overgangsuitkering, inkomsten uit een arbeidsovereenkomst ondertekend op grond van artikel 60.§ 7, van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 08/07/1976, en verbintenis tot tenlasteneming aangegaan ten voordele van een student (bijlage 32) worden geen rekening houden.

Inkomsten die lager zijn dan het referentiebedrag

Het feit op zich dat de gezinshereniger geen inkomsten heeft hoger dan het referentiebedrag leidt niet automatisch tot een afwijzing van de visum- of verblijfsaanvraag.

De gezinshereniger moet echter de documenten voorleggen die de Dienst Vreemdelingenzaken in staat zullen stellen om zijn globale situatie en de inkomsten die hij nodig heeft om in zijn behoeften en die van zijn gezin te voorzien, zonder ten laste te vallen van de openbare overheden, te beoordelen. Het gaat om:

  1. alle documenten die aantonen dat hij over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt; en
  2. alle documenten die het mogelijk maken om zijn financiële situatie, zijn behoeften en de behoeften van zijn gezin correct te beoordelen (bijvoorbeeld: het huurbedrag als hij huurder is, het bedrag van het alimentatiegeld dat hij ontvangt of betaalt, huurgelden die hij ontvangt als hij onroerende goederen verhuurt, sommige verminderingen toegekend op grond van zijn persoonlijke situatie, allerlei premies, een door zijn bank of de nationale bank afgegeven attest waaruit blijkt dat er geen betalingsachterstand is inzake hypothecair krediet of consumentenkrediet, enzovoort). 

Uitzonderingen

In de volgende situaties moet de gezinshereniger niet bewijzen dat hij stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen heeft :

  1. De gezinshereniger die is gemachtigd tot het onbeperkt verblijf in België sinds ten minste 12 maanden (kaart B, C, D, F of F+) moet niet bewijzen dat hij stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen heeft wanneer de aanvrager zijn kind is, of het kind van zijn echtgenoot of zijn partner (partnerschap dat als gelijkwaardig aan een huwelijk in België wordt beschouwd), of een gemeenschappelijk kind, op voorwaarde dat dit kind ongehuwd is, bij hem komt wonen alvorens 18 jaar te zijn, en de enige is die zich bij hem komt voegen (d.w.z. de andere ouder vraagt niet terzelfdertijd de gezinshereniging aan). 
  2. Een Belgische gezinshereniger moet niet bewijzen dat hij stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen heeft wanneer de aanvrager zijn kind is, of het kind van zijn echtgenoot of partner (partnerschap dat als gelijkwaardig aan een huwelijk in België wordt beschouwd), of een gemeenschappelijk kind, op voorwaarde dat het kind bij hem komt wonen alvorens 18 jaar te zijn, en de enige is die zich bij de gezinshereniger komt voegen (d.w.z. de andere ouder vraagt niet terzelfdertijd de gezinshereniging aan). 

    Daarentegen:
  • Als de aanvrager tussen 18 en 21 jaar oud is, moet de Belgische gezinshereniger aantonen dat hij bestaansmiddelen heeft;
  • Als de aanvrager ouder is dan 21 jaar, moet hij aantonen dat hij ten laste is van de Belgische gezinshereniger en moet de Belgische gezinshereniger aantonen dat hij bestaansmiddelen heeft;
  • Als de aanvrager een kind is van de partner (wettelijk geregistreerd partnerschap) van de Belgische gezinshereniger, moet de Belgische gezinshereniger aantonen dat hij bestaansmiddelen heeft.