Wanneer een eerste verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, heeft de verzoeker 8 werkdagen om zich (met zijn bijlage 26) te melden bij het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats.

De gemeente is bevoegd om een attest van immatriculatie (model A) af te geven, dat geldig is gedurende 4 maanden vanaf de datum van het verzoek om internationale bescherming. Dit kan telkens met 4 maanden worden verlengd, tenzij de Dienst Vreemdelingenzaken anders adviseert.

In geval van een volgend verzoek  (2e, 3e...) wordt een bijlage 26quinquies afgegeven. Dit document zal door de Dienst Vreemdelingenzaken worden verlengd  totdat het CGVS een beslissing heeft genomen:

  • Als het verzoek ontvankelijk wordt verklaard, kan de gemeente, zonder voorafgaande opdracht van de Dienst Vreemdelingenzaken, een attest van immatriculatie afleveren dat 4 maanden geldig is vanaf de datum van afgifte. Het attest wordt verlengd totdat een definitieve beslissing over het verzoek is genomen.
  • Als het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, behoudt de verzoeker de bijlage 26quinquies gedurende de beroepstermijn en het eventuele beroep bij de RvV indien het een eerste volgend verzoek (2e verzoek) betreft. De geldigheidsduur van deze bijlage 26quinquies wordt echter niet meer verlengd. Vanaf een tweede volgend verzoek (3e verzoek) kan onmiddellijk na de beslissing van het CGVS een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13 quinquies) worden afgeleverd.

Na de toekenning van de vluchtelingenstatus door het CGVS of de RvV krijgt de betrokkene een vluchtelingenattest. Hiermee dient de betrokkene zich tot de gemeente van zijn hoofdverblijfplaats te wenden, die op basis van dit attest het Rijksregister zal aanpassen en een A-kaart (beperkt verblijf) zal afgeven met een geldigheidsduur van 5 jaar.

Na vijf jaar, te rekenen vanaf het indienen van het verzoek om internationale bescherming dat aanleiding gaf tot toekenning van de vluchtelingenstatus, wordt de erkende vluchteling in principe toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur. Hiervoor moet een aanvraag voor een B-kaart (onbeperkt verblijf) worden ingediend bij de gemeente van de hoofdverblijfplaats. De afgifte van de B-kaart vereist steeds een voorafgaande instructie van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Indien het CGVS of de RvV de subsidiaire beschermingsstatus toekent, moet de betrokkene zich met de beslissing van het CGVS of de RvV wenden tot de vreemdelingendienst van de gemeente van de hoofdverblijfplaats. De gemeente levert op vertoon van deze beslissing een A-kaart (beperkt verblijf) af. De A-kaart is één jaar geldig en kan door de gemeente, zonder voorafgaande instructie van de DVZ, tweemaal verlengd worden voor telkens 2 jaar. De aanvraag voor verlenging van de A-kaart moet 30 tot 45 dagen vóór het einde van de geldigheidsduur van de kaart bij de gemeente van de hoofdverblijfplaats worden ingediend.

Na vijf jaar, te rekenen vanaf het indienen van het verzoek om internationale bescherming dat aanleiding gaf tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, krijgt de subsidiair beschermde in principe een verblijf van onbeperkte duur. Hiervoor moet een aanvraag voor een B-kaart (onbeperkt verblijf) worden ingediend bij de gemeente van de hoofdverblijfplaats. De afgifte van de B-kaart vereist steeds een voorafgaande instructie van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Wanneer het verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen, levert de DVZ in principe een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13 of bijlage 13quinquies) af en wordt het attest van immatriculatie ingetrokken door de gemeente.

Het bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) kan worden afgeleverd na het verstrijken van de beroepstermijn tegen de beslissing van het CGVS, indien geen beroep wordt ingediend, of nadat de RVV het beroep negatief heeft afgesloten. Vanaf het tweede volgend verzoek (3e verzoek) en op voorwaarde dat tegen de beslissing van het CGVS enkel een niet-schorsend beroep kan worden ingediend, kan het BGV onmiddellijk na de beslissing van niet-ontvankelijkheid van het CGVS worden afgeleverd.

Het BGV impliceert dat betrokkene het grondgebied binnen een bepaalde termijn op vrijwillige basis moet verlaten. Deze termijn bedraagt in principe 30 dagen, maar hiervan kan om bepaalde redenen worden afgeweken.

Indien de verzoeker reeds het voorwerp was van een BGV waaraan nog geen gevolg werd gegeven, kan de DVZ beslissen om geen nieuw BGV af te leveren maar het vorige BGV te “reactiveren”. Desgevallend kan, indien dit nodig wordt geacht, een bijkomende termijn worden toegekend om het grondgebied vrijwillig te verlaten.

Het BGV of de reactivering wordt rechtstreeks ter kennis gebracht op de gekozen woonplaats.

Cel Administratie : asiel.administratie@ibz.fgov.be

Cel Opvolging Internationale Bescherming: internationalprotectionfollowup@ibz.fgov.be